Kort Verhaal | Soep met Ballen

Lege blikken worden gewisseld. De soep is op. De deksel eraf. De blikken zijn leeg, tot op de bodem met een vinger leeg gelikt. De soep werd na het openen van het blik direct in de pan gegooid, opgewarmd en naar binnen gelepeld. Een open blik met soep, een ideaalbeeld. De mens houdt echter meer van lege blikken, lege pannen en volle magen. Met de mens bedoel ik mijn directe medemens. In stervend Afrika bestaan ook lege blikken, maar geen volle magen. In opvangcentra bestaan ook lege blikken, maar geen volle magen. In mijn omgeving bestaan slechts lege blikken en volle magen.

Alles is dik in orde, fantastisch, misschien zelfs geweldig, nooit beter geweest. Ik werk, ik verdien, ik sex, ik drink, ik heb vrienden, sta aan de top van mijn leven. Ik huil, maar ik huil nooit alleen. Ik schaterlach, hinnik en gier, val naast mijn stoel, krabbel op en huil. Mijn leven is zwaar, want ik werk, ik verdien, ik sex, ik drink en ik heb vrienden. Ik heb alles sta aan de top van mijn leven en ik huil om niets. Wanneer ik huil, huil ik niet alleen. Tranen stromen uit mijn lege blikken. Een groep vrienden verzameld zich om mij heen. Ze pakken hun lege blikken en vangen mijn tranen op. In de verte zie ik een krokodil. Een grote bek, glimmende tanden, een grijns. Ik lach en kruip weer verder. Mijn krokodillentranen gevangen met legen blikken. Tevreden wrijf ik over mijn volle maag, er zijn weer blikken leeg en magen vol. Ik voel me voldaan, met een volle maag sta ik aan de top van mijn leven.

“Ik werk, ik verdien, ik sex, ik drink, ik heb vrienden, sta aan de top van mijn leven. Ik huil, maar ik huil nooit alleen. Ik schaterlach, hinnik en gier, val naast mijn stoel, krabbel op en huil.”

“Soms wil ik niet meer leven.” Ik zit aan tafel terwijl ik dit zeg. Naast me zit mijn geliefde met een open en volle blik. “Ik ben dan gewoon bang voor de toekomst en wil dan voor de trein springen. Iedere ochtend weer, wanneer ik op de trein naar school aan het wachten ben, komt deze gedachte in mij op. Wanneer de trein voorbij raast, voelt dat als een gemiste kans, een knoop draait dan om in mijn maag, ik verberg mijn gezicht in de kraag van mijn jas. Uiteindelijk stap ik de trein in  en rijdt deze naar mijn toekomst toe.” Er valt een stilte. De volle blik van mijn geliefde vult zich nu met verbazing en angst. Ik vul de stilte op. “Grappig eigenlijk hè, dat de trein niet alleen verder rijdt naar een nieuwe stad, maar de trein ook reist in de tijd. Terwijl de minuten voorbij tikken, rijdt de trein verder, het is een soort tijdreizen in zijn meest simpele vorm.” Ik zit stil aan tafel, beweeg niet en tegelijkertijd voelt het alsof de tijd ook stil is gaan staan. Beweging en tijd, een gouden huwelijk, kilometers gaan per uur en meters per seconde. Ik heb spijt van mijn plotselinge openheid. Het voelt alsof mijn dagboek zojuist is voorgelezen door een één of andere lamlul die dat nodig vond. Die lamlul ben ik zelf, want ik heb zelf mijn diepste geheim verteld. Gewoon tijdens de lunch, net wanneer de soep op is. Met soep en ballen kunnen woorden niet worden verzacht. Wanneer leer ik nu eindelijk is dat een doodswens mensen afschrikt? Niemand kan zo’n uitspraak waarderen. Niemand kent het gevoel. We zijn opgevoed met de gedachte dat dood iets slechts is. Dat de dood iets is om voor te vrezen.  Dat de dood zwart is en het leven kleur.

Toen ik mijn moeder een paar jaar geleden vertelde over mijn doodswens, stortte ze in tranen in elkaar en besloot dramatisch plaats te nemen op de onderste tree van de trap. Ik pakte mijn moeders hand, droogde haar tranen. Met een zelfmoordbrief in mijn broekzak en pijnstillers verstopt in mijn bh, stelde ik mijn moeder gerust. “Nee mam, ik heb geen plannen, het is slechts een gevoel van onmacht en angst. Ja, het komt echt goed, morgen ga ik weer naar therapie. Ja, daar zal ik alles bespreken. Echt waar mam, alles komt goed.” Nog nooit had ik zo hard gelogen, nog nooit, maar meer leugens volgden. Wijn verdween in mijn kamer, naar mijn mond, naar de glasbak drie wijken verderop. Wandelingen om mijn hoofd leeg te maken, werden zelfmoordpogingen, werden laf gehuil bovenaan een brug. Nooit heb ik de stap durven zetten, hoe concreet de plannen ook waren, echt dood durfde ik niet. Ik stelde de dood voor als een universum tussen tijd en ruimte. Een plek waar geen kilometer per uur is en waar zweven en leegte tot de orde van de niet bestaande dag hoorden. Rust.

“Ik snap het eigenlijk wel.”